Meesterschapsteam Nederlands – Taalkunde & taalbeheersing

Bewuste geletterdheid

In de tweede helft van de vorige eeuw is het schoolvak Nederlands ingrijpend veranderd. Het zwaartepunt verschoof van literatuurgeschiedenis en traditionele grammatica naar taalvaardigheid. De communicatieve functie van het Nederlands kwam centraal te staan. Bij het onderwijs in schrijven, lezen, spreken en luisteren ging de aandacht steeds meer uit naar vaardigheden en strategieën voor het (leren) gebruiken van het Nederlands in alledaagse of ‘functionele’ contexten. Zakelijk en literair taalgebruik kwamen los van elkaar te staan en tussen taalbeheersing en taalbeschouwing ontstond geen vruchtbare verbinding. Het schoolvak raakte verkaveld in losstaande domeinen. Verder kwam de voorbereiding op wetenschappelijk onderwijs in het gedrang: van een inhoudelijk oriëntatie op de moderne universitaire neerlandistiek kwam niet veel terecht, net zomin als van de voorbereiding op academische taalvaardigheid.

De zojuist geschetste veranderde context is de eerste reden voor een herbezinning op het schoolvak Nederlands. Wetenschappelijke verworvenheden vormen de tweede reden. Er is nu meer bekend over de structuur van talen, over het waarom van variatie en verandering in talen en over de verwerving van talen. Het gaat om kennis over de achtergronden van taalvaardigheid die in het onderwijs niet mag ontbreken. Zoals een goed opgeleide sporter de theoretische achtergronden kent van waar de bal meestal terechtkomt, welke verschillende technieken er zijn en wat in welke situatie een succesvolle tactiek blijkt te zijn, zo weet een goed opgeleide taalgebruiker welk taalgebruik in welke situatie om welke reden optimaal is. Daar is kennis en inzicht voor nodig. Met ‘zomaar’ taalvaardig zijn aan het einde van het voortgezet onderwijs kan niet worden volstaan, het doel is hoger: ‘bewuste taalvaardigheid’.

Speerpunten Taalkunde en taalbeheersing

 

Samenstelling

Het Meesterschapsteam Nederlands – Taalkunde en taalbeheersing bestaat uit prof. dr. Peter-Arno Coppen (Radboud Universiteit Nijmegen, voorzitter), prof. dr. Kees de Glopper (Rijksuniversiteit Groningen), prof. dr. Ton van Haaften (Universiteit Leiden), prof. dr. Jaap van Marle (Open Universiteit), en prof.dr. Nicoline van der Sijs (Radboud Universiteit Nijmegen).